Het woord friet komt uit het Frans
Het woord friet komt rechtstreeks uit het Frans: frites, van pommes frites, letterlijk "gebakken aardappelen". Omdat Vlaanderen dicht bij Frankrijk ligt, werd dat woord daar al vroeg ingeburgerd en is het sindsdien de standaard benaming geworden. Vanuit Vlaanderen verspreidde het gebruik van friet zich ook naar het zuiden van Nederland, waar men de term tot op de dag van vandaag trouw is gebleven.
Het woord patat heeft een andere oorsprong: het komt van het Spaanse patata, dat gewoon "aardappel" betekent. In principe kan het dus slaan op allerlei gerechten die met aardappelen gemaakt zijn. Strikt genomen is patat dus algemener, terwijl friet preciezer verwijst naar de gefrituurde aardappelreepjes zoals we die uit de frituur of snackbar kennen. Dat verklaart ook waarom veel taalkundigen de voorkeur geven aan friet: de term is specifieker, historisch logisch én internationaal herkenbaar.
Patat: van patata tot patatje oorlog
Zoals gezegd stamt "patat" af van het Spaanse "patata", oftewel aardappel. In Nederland werd de term later gebruikt als afkorting van "patat frites". Vooral in het westen en noorden werd dit de standaard.
Daarom hoor je in Amsterdam of Groningen eerder iemand zeggen: "Doe mij een patatje oorlog", terwijl in Brabant en Vlaanderen standaard "frietje oorlog" wordt geroepen. Zelfde snack, ander woord. In Brabant zullen ze sneller zeggen: het is friet geen patat, terwijl ze in het noorden van Nederland zweren dat het patat is.
"Een frietje met" klinkt toch een stuk gezelliger dan "een patatje met".
Dat maakt meteen duidelijk waarom de discussie nooit helemaal stopt: taal is nu eenmaal verbonden aan je herkomst en identiteit. Voor veel mensen voelt "een frietje met" daarom natuurlijker, gemoedelijker en zelfs een beetje gezelliger. Het klinkt alsof je er samen van gaat genieten bij de snackbar op de hoek. Toch zullen er altijd mensen zijn die juist zweren bij het woord patat, omdat dat voor hen de enige juiste term is. En precies dát maakt het een typisch Nederlandse taalkwestie: twee woorden voor hetzelfde, maar de keuze verraadt meteen waar je vandaan komt.
In België en het zuiden van Nederland (Brabant, Limburg, Zeeland) zegt men bijna altijd friet, terwijl in de Randstad en het noorden van Nederland (Amsterdam, Groningen, Friesland) het woord patat overheerst. In Midden-Nederland hoor je beide termen door elkaar, waardoor er daar vaak minder discussie over is.
Maar het is patat geen friet, toch?
Veel taalkundigen zijn het erover eens: eigenlijk zeg je friet en niet patat. Het woord patat komt namelijk van het Spaanse patata en betekent simpelweg aardappel. Daardoor kan het verwijzen naar van alles: aardappelschijfjes, puree of welke bereiding dan ook. Friet daarentegen is veel specifieker. Het is afgeleid van het Franse frites (pommes frites), letterlijk "gefrituurde aardappelreepjes". Precies datgene dus wat je in een puntzak of bakje van de snackbar krijgt.
Met andere woorden: friet is niet alleen de duidelijkere term, het sluit ook beter aan bij de werkelijkheid. Je zegt tenslotte ook geen "aardappeltje mayo" of "piepertje oorlog". Net zoals je bij pasta netjes onderscheid maakt tussen spaghetti of penne, verdient ook friet zijn eigen naam.
De strijd tussen friet en patat zal waarschijnlijk nooit verdwijnen. Waar je vandaan komt bepaalt vaak welk woord je gebruikt, maar taalkundig gezien klopt friet beter: het verwijst naar die goudbruine, knapperige reepjes waar we allemaal zo dol op zijn.

